U bent hier

Veel gestelde vragen

Zal ik blind worden ?

Bij de meeste mensen die blind worden door glaucoom is dit het gevolg van te late vaststelling van de aandoening of onvoldoende strikte behandeling. Als men tijdig de diagnose stelt en voldoende strikt opvolg en/of behandelt, is de kans op het vermijden van gezichtsproblemen of blindheid heel groot.

Waarom moet mijn oogdruk meerdere keren gemeten worden ?

De oogdruk schommelt bij de meeste mensen. Sommige mensen hebben systematisch hogere drukken ’s ochtends of ’s avonds, anderen doen af en toe een ‘drukpiek’. Aan de hand van meerdere metingen wordt nagegaan wat de hoogste oogdruk is en in welke mate er drukschommelingen zijn. Dit is aangewezen, zowel vóór het instellen van een behandeling als nadien, om het effect van een behandeling te evalueren.

Zijn die bijkomende onderzoeken echt nodig?

De dokter stelt alleen die onderzoeken voor die nodig zijn om het zicht zo goed mogelijk te houden, ook op lange termijn, rekening houdend met de leeftijd, de ernst van de aandoening, en de algemene gezondheid.

Is het echt nodig om het gezichtsveld opnieuw te testen?

Het antwoord is ja: zonder gezichtsveld hebben we geen idee hoe snel iemands functioneren achteruit gaat. Dit functioneel verlies bepaalt wat de patiënt zelf voelt van zijn aandoening.  Een serie gezichtsvelden wordt beoordeeld om de snelheid van achteruitgang te meten, met of eventueel nog zonder behandeling. Zo lang er weinig achteruitgang wordt vastgesteld kan een (strengere) behandeling soms nog worden uitgesteld.

Ik kom nu al 4 jaar en krijg nog altijd geen behandeling.

Er zijn mensen die glaucoom hebben, of aanleg voor het ontwikkelen ervan, maar waarbij er geen of onvoldoende achteruitgang is om een behandeling op te starten. Op vandaag is het jammer genoeg nog altijd niet mogelijk om te voorspellen bij wie de aandoening zal verslechteren en hoe snel. Ook kan de snelheid van achteruitgang wijzigen. Daardoor kan het gebeuren dat iemand gedurende lange tijd opgevolgd wordt zonder behandeling. Ook wordt de nood tot (bijkomende) behandeling afgewogen tegen de verwachte levensduur, de gezondheidstoestand, het risico op functionele hinder door (verslechtering van het) glaucoom, en het risico op bijwerkingen van een bepaald type behandeling.

Een foto van mijn oogzenuw (zenuwvezellaag analyse), is dat echt wel nodig? Het wordt ook niet  terugbetaald.

Het beoordelen van de oogzenuw gebeurt niet alleen door onderzoek met de microscoop, maar ook aan de hand van een zenuwvezellaag analyse. Hiermee kunnen structuren beoordeeld worden die met de microscoop niet meetbaar zijn. Dit onderzoek is zeer belangrijk in de diagnose en de opvolging van glaucoom, omdat het toelaat in ongeveer de helft van de gevallen achteruitgang vast te stellen die nog niet zichtbaar is op het gezichtsveld. Zo kan de oogarts sneller vaststellen of een (bijkomende) behandeling nodig is. De bedoeling is het gezichtsveld zo goed mogelijk te houden, om zo min mogelijk weerslag op het functioneren te krijgen.

Ik heb nu al zoveel behandeling gekregen en zie nog altijd niet beter.

Dit kan. De schade die is opgetreden kan niet genezen worden. De behandeling heeft enkel als doel bijkomende schade te voorkomen, om het zicht dat men heeft zo goed mogelijk te houden. Verbetering van beschadigd zicht door glaucoom is op vandaag jammer genoeg nog steeds niet mogelijk. Daarom juist is het zo belangrijk tijdig de diagnose te stellen en voldoende strikt op te volgen en te behandelen.

Men vertelde mij vroeger dat er pas glaucoom is als de druk meer dan 21 is.

Arbitrair werd de definitie van te hoge oogdruk vroeger op ‘oogdruk hoger dan 21mmHg’ gelegd. Deze misvatting had belangrijke gevolgen: decennia lang was men ervan overtuigd dat iedereen met een oogdruk hoger dan 21 glaucoom had, en dat iedereen met oogdruk van 21 of lager geen glaucoom kon hebben. Ook in de perceptie van de patiënten is dit een ‘eenvoudig principe’ dat goed begrepen werd en nog vaak bevraagd wordt (“hoe hoog mag de oogdruk zijn, dokter?”) maar jammer genoeg niet correct is.

In tegenstelling tot vele aandoeningen (diabetes, cholesterol, bloeddruk) is er geen magisch getal dat de grens trekt tussen ‘wel en geen glaucoom’, met andere woorden de diagnose wordt in de regel niet gesteld op basis van de oogdruk, maar wel aan de hand van het oogonderzoek (oogzenuw, gezichtsveld, gonioscopie, foto van de oogzenuw). Hierbij wordt van de oogdruk die gemeten wordt vastgesteld of deze blijkbaar geen probleem stelt (ook al is de oogdruk bvb 25) of blijkbaar wel een probleem stelt (ook al is de oogdruk bvb slechts 14) en de toestand bijgevolg opgevolgd en/of behandeld moet worden. Bij twijfel wordt afgewacht óf en in welke mate er achteruitgang optreedt.

De oogdruk op zich geeft enkel aanleiding tot diagnose van glaucoom als ze zéér hoog is (meer dan 32), en is op zich ook meer ‘verdacht’ als ze meer asymmetrisch is (meer dan 2 mmHg verschil tussen beide ogen, zonder andere duidelijke verklaring), of forse schommelingen vertoont (schommelingen meer dan 5 mmHg worden als abnormaal beschouwd).

Hoe laag moet mijn oogdruk zijn ? (Zie ook vorige vraag)

Als wordt besloten dat behandeling nodig is, wordt de oogdruk meestal met 20 tot 30% verlaagd, oa. afhankelijk van de ernst van de schade en van hoe groot het risico op bijkomende schade wordt ingeschat. Dit veronderstelt dat men de hoogste oogdruk nauwkeurig opmeet vóór de start van de behandeling, en dan een streefdruk vooropstelt voor de persoon of het oog in kwestie. Eens de streefdruk behaald wordt dient de verdere opvolging onder meer om na te gaan of er aan de bekomen oogdruk geen (of niet te snel) verdere schade meer optreedt. In sommige gevallen moet een meer drastische drukverlaging worden bekomen (50% of zelf meer). Bij heel agressieve vormen van glaucoom is het vaak nodig om de druk zeer laag te maken. Op vandaag gaat men ervan uit dat oogdrukken lager dan 8 à 10 mmHg geen bijkomende schade veroorzaken.

 

 

Tags: